LEZEN

Begrijpend lezen
Kijk goed naar de prent. Duid de zin aan die het best bij de prent past.
- Een mes, een vork en een lepel.
- Een bord en een mes.
- Een bord met mes, lepel en vork.
- Een jongen met een poes.
- Een jongen met een blauwe broek en een hond.
- Een jongen met een groene trui en een hond.
- Een vaas met drie rode bloemen en drie gele bloemen.
- Een fles met zes bloemen.
- Een vaas met zes blauwe bloemen.
- Een jongen met een blauwe emmer en paarse broek.
- Een meisje met een rode hoed en oranje emmer.
- Een meisje op het strand met een rode hoed en een oranje broek.